Deelproject

Ervaringen met indirecte routes naar het hoger onderwijs

Door Sanne van Herpen & Marieke Meeuwisse (Erasmus Universiteit Rotterdam)
Ervaren impliciete kansen en obstakels van studenten, die een indirecte route naar het hoger onderwijs hebben gevolgd, op weg naar en in het hoger onderwijs.

Samenvatting van het project

In dit project zijn hbo- en wo-studenten bevraagd over de route die zij hebben gevolgd om het hoger onderwijs te bereiken, en over hun ervaringen als eerstejaarsstudent in het hoger onderwijs. Specifiek lag de focus op studenten die een indirecte route naar het hoger onderwijs hebben gevolgd, in plaats van de meest gebruikte routes havo-hbo of vwo-wo. De centrale vraag in het onderzoek was welke impliciete kansen en obstakels studenten identificeren gedurende hun indirecte route naar het hoger onderwijs en in het hoger onderwijs zelf.

Door het hanteren van het begrip ‘habitus’ als theoretische lens analyseren we hoe studenten de toegankelijkheid van het hoger onderwijs ervaren (cf. Lehman, 2013). Juist de studenten die via een indirecte route naar het hoger onderwijs gaan, zouden ‘met een blik van buiten’ de veronderstelde frictie tussen de formele toegankelijkheid en de ervaren begaanbaarheid van het hoger onderwijs, goed kunnen blootleggen (Horgan, 2012). Studenten die via een indirecte route instromen in het hoger onderwijs zijn bovendien relatief vaker studenten met een migratieachtergrond en studenten van wie de ouders niet hebben gestudeerd in het hoger onderwijs (Haas & Hadjar, 2020; Isopahkala-Bouret & Haltia, 2024). In dit deelproject besteden we daarom bijzondere aandacht aan (de intersectie tussen) migratieachtergrond en opleidingsniveau van de ouders in de route naar het hoger onderwijs en gedurende het eerste jaar in het hoger onderwijs (cf. Nichols & Stahl, 2019). Ook is gefocust op psychosociale factoren in de transitie naar het hoger onderwijs, te weten de mate waarin leerlingen zich verbonden voelen met leeromgeving (sense of belonging) (Allen et al., 2018; Hausmann et al., 2009; Walton & Cohen, 2007), de  mate waarin studenten ondersteunend, positief contact ervaren met andere studenten en docenten (quality of interaction) (Brouwer et al., 2016,  2019; Meeuwisse et al., 2010), en de relatie tussen deze aspecten met het geloof in eigen kunnen (self-efficacy) (Pintrich et al., 1993; Usher & Pajares, 2008).

Het project heeft een longitudinale, kwalitatieve opzet, waarbij interviews zijn afgenomen met 24 eerstejaars wo-studenten van zes verschillende opleidingen aan één universiteit en 8 eerstejaars hbo- studenten van zes verschillende opleidingen aan drie hbo-instellingen zijn geïnterviewd. Studenten zijn tweemaal geïnterviewd; in het eerste semester van het eerste studiejaar in het hoger onderwijs en aan het einde van het eerste jaar of net na de overgang naar het tweede jaar in het hoger onderwijs (ook na eventuele uitval na jaar 1).  Van de participanten identificeerde 28% zich als man en 72% als vrouw, 28% van de participanten identificeerde zich met een andere culturele achtergrond dan Nederlands of een gecombineerde culturele achtergrond, en 72% als Nederlands. De gemiddelde leeftijd was 21 jaar. 

In het eerste interview zijn participanten gevraagd een lifeline te tekenen waarmee zij hun schoolloopbaan en welzijn in tijdperiodes konden visualiseren. Vervolgens is per periode besproken hoe de participant zich toen voelde (welbevinden), hoe het geloof in eigen kunnen was, hoe het naar school gaan / studeren is ervaren aan de hand van contact met peers, familie en docenten, en hun mate van sense of belonging op de betreffende school of opleiding. In het tweede interview is participanten gevraagd terug te blikken op hun verwachtingen ten aanzien van het studeren in het hoger onderwijs, hoe het afgelopen jaar in het hoger onderwijs is geweest wat betreft welbevinden, geloof in eigen kunnen, contact met peers, docenten en familie, en sense of belonging in het hoger onderwijs. In beide interviews is doorgevraagd op kritieke momenten in de schoolloopbaan van de participant (Flanagan, 1954).


Bevindingen

Studenten die een indirecte route naar het hoger onderwijs volgden worden beïnvloed in hun (impliciete) keuzes door hun contact met docenten, schoolsystemen en regels die wel of niet meebuigen met een persoonlijke situatie. De meeste regels buigen niet mee, waardoor keuzes worden opgelegd en de studenten zelf moeten bedenken hoe, energie moeten maken voor, en zelf moeten organiseren dat zij de volgende stap in de opleiding kunnen zetten. Ook lijken deze studenten geen structurele, expliciete stimulans te ervaren binnen de schoolse context of binnen hun familie om te studeren in het hoger onderwijs. Enkele respondenten gaven aan via stages of bijbaantjes aspiratie te hebben gekregen om door te studeren. De collega’s of begeleiders in die contexten zagen hun potentie en stimuleerden hen om te kijken wat mogelijk is om door te leren. Andere respondenten ervoeren belemmeringen zoals depressie of chronische vermoeidheid, waardoor aspiraties naar beneden werden bijgesteld. Het vergt dan veel doorzettingsvermogen om toch te blijven studeren. Steun vanuit familie en school helpt dan, maar werd niet altijd gegeven. Studenten met een indirecte route naar het hoger onderwijs blijken doorzetters: zij blijven proberen om door te studeren, terwijl de institutionele habitus – de onderwijscultuur in het hoger onderwijs en het toeleidend onderwijs– deze groep lijkt te benadelen.

Aanbevelingen om de toegankelijkheid van het hoger onderwijs in de praktijk te verbeteren

Het lijkt erop dat de keuze om in te stromen in het hoger onderwijs voornamelijk wordt gezien als een individuele keuze en verantwoordelijkheid. Het (hoger) onderwijs heeft echter ook een verantwoordelijkheid om te zorgen voor een inclusieve leeromgeving waarin diverse studenten kunnen studeren. De toegankelijkheid van het hoger onderwijs is een samenspel van formele en impliciete eisen in het onderwijssysteem, en hoe de student daar door de tijd heen mee om weet te gaan. Hoe de student daar mee omgaat, is niet alleen de verantwoordelijkheid van de student. Het Nederlandse onderwijs heeft een verantwoordelijkheid om studenten uit te rusten met de benodigde bagage om het hoger onderwijs succesvol te kunnen doorlopen en een verantwoordelijkheid om tijd en ruimte te bieden en de mogelijkheid om in gesprek te gaan over wat een jongere kan en wil worden en op welke manieren dat kan worden gerealiseerd in het hoger onderwijs. Er lijkt vooral noodzaak tot een sterker bewustzijn bij onderwijsinstellingen dat studenten in het verwezenlijken van hun aspiraties en talenten, mede afhankelijk zijn van een steunende stimulerende schoolcontext die verder kijkt dat de eigen opleiding.

Achtergrond van dit project

Factoren en mechanismen die de toegankelijkheid van het hoger onderwijs beïnvloeden kunnen openlijk en expliciet zijn (formeel), maar zullen vaker meer impliciet zijn (i.e. niet-formeel) en culturele en symbolische praktijken betreffen.

Producten

Vanaf 1 oktober vindt u hier alle opgeleverde producten als download.

Dit project heeft vertraging opgelopen en realiseert in de komende periode nog de volgende producten:

  • Korte narratieven gebaseerd op de interviews
  • Poster / infographic – beknopte weergave van de belangrijkste resultaten
  • Data en instrumenten i.h.k.v. Open Science
  • Wetenschappelijk artikel
  • Een vakpublicatie